Foxes tegen Wolves, doodsstrijd van bedreigde diersoorten

By | 10 februari 2016

Achter de bal aan (9): Leicester, United Kingdom

28 februari 2004

In 2004 jaagt de dan 17-jarige Jamie Vardy op doelpunten voor Stocksbridge Park Steels. De 19-jarige Kasper Schmeichel hoopt op een doorbraak als keeper bij Manchester City. Riyad Mahrez (bijna 15) droomt in de jeugd van AAS Sarcelles van een loopbaan als profvoetballer. Gary Lineker hoeft dat jaar nog niet te vrezen dat hij een uitzending van BBC’s Match of the Day in zijn onderbroek moet presenteren.

Leicester City kampioen van Engeland? Een overwinning zondag op Arsenal, één van de naaste én laatste achtervolgers, maakt het onwaarschijnlijke steeds waarschijnlijker. Het nietige clubje uit de East Midlands dat er brutaal in slaagt het grootkapitaal uit London, Manchester en Liverpool af te troeven. Een modern sprookje. Schmeichel, Vardy en Mahrez hebben de goede afloop inmiddels geheel in eigen hand.

Hoe anders is dat in 2004. Wie dan het woord landstitel voor zijn local team in de mond durft te nemen, wordt waarschijnlijk ter plekke in een dwangbuis afgevoerd. Het is business as usual. Leicester City moet in februari van dat jaar alle zeilen bijzetten om aan degradatie uit de Premier League te ontsnappen. Tijdens een zesdaagse voetbaltrip door Engeland maak ik bij een ontmoeting tussen de Foxes en de Wolves uit Wolverhampton, ofwel de vossen tegen de wolven, de doodsstrijd van twee bedreigde diersoorten van nabij mee.

Leicester boring? Op de zaterdagochtend waarop ik voor het eerst voet zet in de grootste stad van de East Midlands, stuit ik op meerdere plekken op een reclamezuil met de afbeelding van een grimmig kijkende rugbyspeler. Het betreft Martin Johnson, England & Tigers captain. Wie kent ‘m niet? Ik dus. Blijkbaar draagt Leicester een ietwat stoffig imago met zich mee. Het billboard met de plaatselijke held moet bezoekers overtuigen van het tegendeel. Imagoprobleem of niet, Leicester koestert in elk geval wel haar sportieve helden. Zoveel wordt me meteen duidelijk. Op Granby Street staan een voetballer, rugbyer en cricketer gezamenlijk op één voetstuk. De in brons gegoten sporters symboliseren Leicester City Football Club, Leicester Tigers Rugby Club en de Leicestershire County Cricket Club.

Op straat bieden krantenverkopers hun idealen aan op tabloidformaat. The Socialist Worker heet het krantje dat zij voor een kameraadschappelijk prijsje proberen te slijten. In Leicester wordt gewerkt en schiet het proletariaat nog wortel. Toch zijn ze hier niet rood, maar blauw. Dat zijn de clubkleuren van de Foxes, zoals de bijnaam van Leicester City Football Club luidt. Men verhult z’n trots daarover niet, al valt er voor vossenliefhebbers doorgaans weinig te juichen.

De loopafstand naar het stadion valt alleszins mee. In ruim twintig minuten is het te doen vanuit de city van Leicester. Via Waterloo Way begeef ik me op weg. Dan door het Nelson Madela Park, ook best apart. Vervolgens langs het stadion van de Tigers, de tijgerkooi zogezegd. Aansluitend Filbert Street, waar de plaatselijke voetballers vanaf 1891 liefst 111 jaar lang gehuisvest waren. En uiteindelijk, luttele honderden meters verder, ligt het twee jaar voordien geopende nieuwe onderkomen van de club, dat er op afstand uitziet als een grote witte bak. Het stadion draagt twaalf jaar geleden de naam Walkers’ Stadium. Vernoemd naar, ja, echt waar, een chipsfabrikant.

Een reusachtige beeltenis van Garry Lineker, de beroemdste voetballer die de stad ooit voortbracht, siert de buitenmuur van het stadion. Aan de gevel hangt eveneens een groot plakkaat met de tekst Leicester and Proud. Opnieuw een teken van dat men hier trots is op zijn afkomst. Het entreegebouw is zonder meer indrukwekkend. Met name de glazen gevel met daarop het enorme logo van Leicester City Football Club straalt iets van klasse uit.

Die klasse valt in die dagen op het veld nauwelijks waar te nemen. Liefst 32 pond kost een toegangskaartje me, 48 euro tegen de dan geldende koersen. Voor een club als – met alle respect – Leicester City eigenlijk veel te veel van het goede. Maar goed, in het Engeland anno 2004 betreft het gangbare prijzen. Tegenwoordig is het zelfs nóg schandaliger. Volkomen terecht dat fans eindelijk in opstand komen tegen deze moderne vorm van uitbuiting.

Zeker wanneer je dan zó’n persiflage op een voetbalwedstrijd voorgeschoteld krijgt zoals ik op die bewuste middag , mag ik me vast en zeker wel een beetje bekocht voelen. Gretigheid spreiden de vossen en wolven meer dan genoeg ten toon, doorbijten ho maar. Zelden heb ik zoveel blinde miljonairs op één voetbalveld verzameld gezien. Ze bakken er dan wel weinig van in het chipsstadion, beide managers hebben echt wel de nodige grote namen de wei in hebben gestuurd. Mannen als Walker, Dabizas, Freund, Izzet (Leicester), Jones, Irwin en Ince (Wolves) zijn toch niet de minsten. Veel waar voor hun riante salarissen leveren de heren niet.

Elke ploeg krijgt bovendien het publiek dat het verdient. Boring wil ik het niet noemen, maar het thuispubliek komt op mij niet bepaald over als het meest hartstochtelijke in zijn soort. Meer dan ‘Come on Leicester, come on Leicester’ komt er nauwelijks uit. De gasten uit Wolverhampton maken veel meer lawaai, terwijl ze toch ruimschoots in de minderheid zijn. De Wolves-supporters sporen hun concurrenten daarom maar aan: ‘Shall we sing a song for you, shall we sing a song for you…

Veel muziek komt er die middag helaas niet meer in. Swingen doet Leicester City anno 2004 nauwelijks. Het ziet er naar uit dat ik twaalf jaar té vroeg in Leicester ben geweest…

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.